Links het wapen van Sardinië, een rood kruis met vier hoofden van Moren, elk voor één van de vier provincies.
Sardinië is met een lengte van ongeveer 270 km en een breedte van 144 km het op één na grootste eiland van de Middellandse zee. Alleen Sicilië is groter, maar het is bijvoorbeeld meer dan tweemaal zo groot als Cyprus en Kreta. In vergelijking met ons land is het ongeveer 2/3 de grootte van Nederland. Het aantal bewoners is beduidend lager, circa 1,7 miljoen. De meeste mensen leven ook nog eens voornamelijk in de grote steden, zoals Cagliari en Sassari. Omdat het eiland zo dun bevolkt is zijn er veel natuurgebieden met name in de Gennargentu, een berggebied centraal gelegen op het eiland. De hoofdstad is Cagliari en het eiland is verdeeld in vier provincies, te weten Cagliari, Nuoro, Sassari en Oristano, genoemd naar de respectievelijke hoofdsteden.
Het gedeelte waar wij gaan fietsen staat niet bekend om
de ruige bergen, die heb je meer naar het centrale gedeelte van dit eiland. De
hoogste bergen zijn Punta la Marmora van 1834 meter hoogte en Monte Brunca Spina
van 1829 meter. Het eiland kent vele grotten, zowel aan zee als in het gebergte.
Al met al heeft dit eiland een schitterend landschap, omgeven door een
kraakheldere zee.
Het dagelijks eten van de Sardijnen is zoals te verwachten
vaak beïnvloed door de eetgewoontes van de Italianen. Men eet graag pasta,
waaronder de malloreddus, een typisch Sardijnse pastasoort. Sardijnse steden en
dorpen langs de kust hebben een rijke traditie in vis, schaal- en schelpdieren,
terwijl de meer in het binnenland gelegen plaatsen bekend zijn vanwege wild en
zuivelproducten.
De voornaamste bron van inkomsten in het binnenland is de veehouderij van geiten en schapen. Het eiland is nog niet ondekt door de toeristen, ook al doet het drukke noorden, ook wel Costa Smeralda genaamd, anders vermoeden.
Enkele andere kenmerken van het eiland en de bewoners:

Even na middernacht vertrek ik met het autootje van mijn
schoonmoeder richting Nieuwegein. Van tevoren heb ik nog geprobeerd om wat te
slapen en heb gelukkig mijn ogen even kunnen sluiten. De twee uur durende rit
naar de verzamelplaats bij Ton valt gelukkig mee, rond dit tijdstip rijden er
immers weinig mensen rond.
Meestal ben ik één van de eersten als het op
verzamelen aankomt, echter de meeste zijn al aanwezig en zowaar Eddy is op tijd.
Volledig volgens schema vertrekken wij vanuit Nieuwegein richting Brussel. Het
is midden in de nacht en er is nog steeds weinig verkeer en dat schiet lekker
op. Bij Antwerpen is de autosnelweg naar Brussel afgesloten dus zijn wij
genoodzaakt om de parallel lopende autoweg te nemen. Hoewel ook hier weinig
verkeer is heb je hier kruispunten met stoplichten, inclusief de gebruikelijke
flitspalen. Ook wij zijn nu slachtoffer van de Belgische Justitie, want hoewel wij niet door rood licht rijden, blijkt dat deze palen ook op snelheid controleren en juist bij dit kruispunt mag je maar 80 rijden. Zowel het busje met de bagage als mijn autootje met de passagiers komen op de foto te staan.
Ruim op tijd komen wij op vliegveld Zaveltem aan. Ik
parkeer mijn autootje in één van de grote parkeergarages, het busje van Eddy
gaat weer terug naar Nederland. Niet veel later komen de twee lotgenoten uit
Rotterdam op het vliegveld aan. Door de vroege aankomst hebben wij keuze uit de
zitplaatsen in het vliegtuig. De meest ruime plaatsen, bij de nooduitgang in het
midden van het vliegtuig, reserveren ze voor ons.
Er is nog genoeg tijd om
een bakkie te doen, echter op dit vroege tijdstip is niet veel open. Gelukkig
niet alles en iedereen nuttigt een bakkie met een broodje. Op het geplande
tijdstip zitten wij in het vliegtuig, echter om onduidelijke reden vertrekken
wij pas een half uur later.
De vlucht verloop uitstekend en dat is een goede reden om een fles wijn te openen. Eddy heeft een rode wijn uit Sardinië uit zijn voorraad meegenomen en die gaat open. Als de fles bijna leeg is, komt een van de stewardessen melden dat het nuttigen van alcohol niet mag, maar het kwaad is al geschiet en de enige plek waar je het restant kwijt kunt is via de natuurlijke verwerking van het maagdarmkanaal. Gewoon opdrinken dus.
Omstreeks halfnegen landen wij op vliegveld Elmas, vlak
bij de hoofdstad Cagliari. Het weer is schitterend en aan de westzijde van het
vliegveld loopt een grote groep flamingo's in het ondiepe water. Toch wel wat
anders dan de gebruikelijke kraaien of mussen die je in Nederland overal
tegenkomt.
Het is geen groot vliegveld en de bagage is dan ook snel ter
plekke. De veel geoefende routine gaat weer beginnen. Emile, die dit jaar weer
chauffeur is, haalt het busje op en de anderen zetten hun fiets in elkaar. Het
noodlot slaat echter dit jaar jammer genoeg bij mij toe. Als ik het stuur wil
vastzetten draai ik de schroefdraad uit het aluminium frame van de fiets en kan
ik het stuur niet meer vastzetten. Met een los stuur kan en wil ik niet fietsen
dus zit er niets anders op dan mij bij Emile in het busje te voegen.
Het lukt
dit jaar niet om de fietskoffers en fietstassen op het vliegveld achter te
laten. De fietsers vertrekken vast en Emile en ik proberen om op het adres van
onze laatste overnachting in een pension in Cagliari onze koffers en tassen
achter te laten. Waarschijnlijk omdat weinig personen een andere taal dan
Italiaans spreken en omdat het Italiaans van Emile en mij dermate slecht is,
lukt het stallen van de koffers en tassen ook hier niet.
Wij nemen de koffers
en tassen gewoon mee want op ons eerste verblijf zullen wij vijf nachten
doorbrengen en dan heb je er toch geen last van. Wij gaan eerst richting
vliegveld om vandaar de route van de fietsers op te pakken. Vlak na het pension
gaat het echter al verkeerd. Achteraf blijkt één van de richtingaanwijzers naar
het vliegveld verdwenen te zijn maar als je dat niet weet, kom je helemaal verkeerd uit. Wij dus ook, maar door af en toe de te richting vragen, komen wij met de nodige vertraging weer bij het vliegveld uit. De fietsroute is dan zo gevonden en uiteindelijk gaan wij op pad.
De route gaat in noordelijke richting door
achtereenvolgens Assemini, Serramanna, Sanluri, Ussaramanna, Mogorella, Allai,
Fordongianus, Paulilatino met als eindbestemming Santu Lussurgiu met een totale
afstand van 150 km.
Het landschap is de eerste kilometers niet bijster
interessant. Het is er erg vlak met veel landbouw en er staan veel
elektriciteitpalen. Opvallend is dat je regelmatig afscheidingen langs de weg
ziet van schijfcactussen. Deze vlakte noemt men ook wel "Campidano" en twee rivieren voeden deze vlakte met water, te weten de Manno en de Tirso.
Na
Sanluri beginnen de heuvels en krijgt het landschap een vriendelijker karakter.
Het lijkt veel op bepaalde delen in Noord-Engeland, waar je ook velden die ze afgescheiden met los gestapelde stenen muurtjes. Het enige verschil is
dat de kleur anders is, want heb je in Engeland meestal groene velden, hier is
het seizoen al veel verder en vanwege de hooi- en graantijd, heb je hier meer
een gouden kleur. Daarnaast heb je hier af en toe olijfbomen en druiven en die kom je in Engeland niet tegen. Ook is het weer in Engeland veel slechter, ik kan het weten want ik heb er een paar jaar gewoond.
De wegen zijn erg goed, tenminste als je tussen twee
dorpen rijdt. In een dorp is de kwaliteit van het asfalt meestal slechter. Veel
gaten en erg onregelmatig. Waarschijnlijk om de snelheid uit het verkeer te
halen want de huizen staan in de dorpen meestal dicht op de weg. Het verkeer is,
vooral als je in een busje zit en met name in de dorpen, erg hectisch. Sardijnen
parkeren hun auto daar waar ze wezen moeten en dat levert de nodige
opstoppingen. Het schiet dan ook niet op, pas om halftwee vinden wij de
fietsers. Zij hadden onderweg al een bakkie gedronken maar die hadden wij nog
niet gehad en wij waren ook wel toe aan een pauze. Even later leidt
een vriendelijk jonge Sardijn op een brommer ons naar een restaurant in het plaatsje
Ussaramanna. Eindelijk een moment om tot rust te komen en wat te eten. De
fietsers hebben al 70 kilometer achter de rug en ze klagen over
tegenwind.
Het eten is voortreffelijk en bestaat uit vleeswaar, kaas en brood, gevolgd door gebakken paarden- en kalfsvlees. Vooral het paardenvlees is lekker, mede door de vele knoflook, die bij het klaarmaken ervan gebruikt is. Bij zulk lekker eten hoort een lekkere drank en een koude rosé komt op tafel.
Na een klein uurtje vertrekken wij. De fietsers tegen de
wind in, Emile en ik lekker in het busje, rechtstreeks naar ons verblijf in
Santu Lussurgiu. Deze plaats heeft ongeveer 3000 inwoners en ligt op 504 m
hoogte, tegen de hoogste top van de Monte Urtigu van 1050 m hoogte. Omstreeks
vijf uur komen wij in het dorp aan maar dan moeten wij de accommodatie nog vinden. Er is zowaar een plattegrond beschikbaar maar die biedt geen oplossing.
Wij rijden het dorp vervolgens door op zoek naar iemand die ons de weg kan
wijzen. Bij een werkplaats stoppen wij en ik stap uit en ga naar binnen. Blijken
ze daar op ambachtelijke wijze prachtige messen te smeden, maar goed daar komen
wij niet voor, dus de weg maar vragen. Wij moeten terug tot net voorbij de
benzinepomp. Vervolgens, met wat vragen her en der weten wij ons onderkomen te
vinden.
In het oude gedeelte van dit dorp, met nauwe straatjes met
hobbelsteentjes, zit achter een grauwe muur met een oude deur ons verblijf.
Daarachter zit echter een uitstekend onderkomen, opgetrokken in oude stijl en
voorzien van meerdere slaapkamers (totaal 14 bedden) en badkamers, een grote
eetkamer en een keuken. Er is ook een centrale binnenplaats, in tweeën
gedeeld door een grote passiflora. Voorts staan er twee grote
citroenbomen, voorzien van alle stadia in de groei van een citroen.
Bij de huur zit ook de verzorging inbegrepen en daartoe zullen tijdens ons verblijf twee oudere dames, Guida en haar moeder Tina, ons verzorgen.
Door de nauwe straatjes is het niet mogelijk om met het
busje bij de voordeur te komen. Alle bagage moeten wij naar binnen sjouwen,
maar dat is relatief snel gebeurd. Ik probeer nog met behulp van de reisagent,
die gelukkig Engels spreekt, te regelen of iemand mijn fiets kan repareren.
Echter de betreffende zaken zijn net dicht of liggen te ver weg. Emile en ik
stappen dan om halfzeven weer in het busje om terug te rijden naar de fietsers.
Na ongeveer 30 kilometer komen wij alleen Ton en Arnold tegen. Wij laden beide
mannen in en eenmaal in het busje krijgen wij te horen dat de anderen net voor
Mogorella de verkeerde afslag genomen hebben en ergens anders fietsen. Arnold
had problemen met een losse as (heeft er waarschijnlijk een lang stuk mee
gereden) en samen met Ton heeft hij dat proberen te repareren. Zij raakten toen
achterop maar hadden wel de goede route genomen. Gelukkig hebben de meesten nu
een mobiele telefoon bij zich en al snel blijkt dat zij via een andere route al
vlak bij ons verblijf zijn. Wij dus ook weer terug en gelijk maar even wat
boodschappen doen, want het is al halfacht en de winkel sluit om acht uur. Jan
Willem had inmiddels te kennen gegeven dat hij er helemaal doorheen zat, dus
Emile en Ton rijden door om hem op te pikken.
Eenmaal compleet in ons verblijf kan iedereen een slaapplek opzoeken en zich opfrissen. Eddy voelt zich niet lekker en gaat even naar bed, echter als wij om negen uur naar de plaatselijke pizzeria gaan om te eten, lijkt er niets meer aan de hand met hem. Wij krijgen weer wat vleeswaar en andere hapjes vooraf, gevolgd door een pizza naar eigen keuze. Als wijn komt er rosé en rood op tafel. De afsluiter is de gebruikelijke koffie met de haast gebruikelijke cognac. Ook krijgen wij nog een eau-de-vie van de zaak en vermoeid maar voldaan vallen wij omstreeks middernacht in bed. Voor de meesten loopt een wel extreem lange dag uiteindelijk ten einde.